Leestijd: circa 8 minuten

 10/11/2017

“Het is optimisme dat de ondernemer drijft”, zegt minister van Justitie Koen Geens halverwege zijn inleidende toespraak op de Studiedag van Larcier over de hervorming van het vennootschapsrecht. “Voor de vennoot is dit een ander optimisme dan voor de mandataris van een vzw. Toch geloven ze beide dat ze iets zullen bereiken. En ja, optimisten falen af en toe. Maar het is niet dankzij de bangeriken dat België vandaag als nummer 17 prijkt op de lijst met ’s werelds meest competitieve landen van het World Economic Forum.

Het is datzelfde optimisme dat minister Geens ertoe bracht een équipe van rechtsgeleerden samen te brengen om het verouderde Belgische vennootschaps- en verenigingsrecht te hervormen. Naar het voorbeeld van het Wetboek Economisch Recht (WER) werd jarenlang gezwoegd om – voor eens en voor altijd – tot één coherent geheel te komen. Het nieuw Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (hierna: WVV) zal net als het WER lezen als een roman, waarbij je dus lezer vanaf de eerste bladzijde aandachtig moet zijn, wil je het einde snappen.

Een werk van lange adem, absoluut, maar we zijn er bijna. Eerder dit jaar, op 20 juli, keurde de federale ministerraad het wetsontwerp van minister van Justitie Koen Geens tot de invoering van het WVV goed. Bedoeling is dat het WVV in het najaar van 2018 in voege treedt. Het is nu wachten tot de laatste hand gelegd is aan de definitieve wettekst die het vennootschaps- en verenigingsrecht een nieuw gezicht zal geven. Benieuwd hoe dat gezicht eruit zal zien? Onze jurist ondernemingsrecht, Edward, ging voorbije woensdag luisteren op de Studiedag van Larcier. Dit pikte hij er voor u op. U weze gewaarschuwd: het is een stevige boterham.

Vereenvoudiging en flexibilisering

De twee voornaamste krachtlijnen doorheen de hervorming zijn vereenvoudiging enerzijds en flexibilisering anderzijds. In dat opzicht zijn de drie belangrijkste wijzigingen onder het nieuwe vennootschaps- en verenigingsrecht:

  1. De afschaffing van het verschil tussen burgerlijke en handelsvennootschappen.

Dit is een trend die binnen het insolventierecht (WER) al veel langer was ingezet. Daar werd het achterhaalde begrip “daden van koophandel” ondertussen vervangen door het ruimere begrip “onderneming”. Alle vennootschappen, maar ook vzw’s, ivzw’s en stichtingen zijn ondernemingen in de zin van het WER. De Ondernemingsrechtbank wordt de huisrechtbank voor WVV-materie.

  1. De sterke sanering in het aantal vennootschapsvormen.

Van de dertien vennootschappen onder het huidige stelsel – en dan laten we de varianten nog buiten beschouwing – worden er slechts vier behouden: de maatschap, de BV, de CV en de NV. De BV (vroegere bvba) wordt in de toekomst dé basisvennootschap. De NV wordt voorbehouden aan de echt grote ondernemingen. Hoewel er ook plannen waren om de CV af te schaffen, overleefde deze het snoeiwerk. Belangrijke nuance hierbij is dat de vier overblijvende vormen op zodanig veel verschillende wijzen gemoduleerd kunnen worden dat men quasi alle huidige vennootschapsvormen opnieuw kan reconstrueren. Zo kan de maatschap worden omgezet naar een stille of tijdelijke maatschap en kan de CommVA worden ingekanteld in de NV. Bovendien werd aan de Europese vennootschap en het economisch samenwerkingsverband niet geraakt, aangezien deze vormen op Europees niveau gereguleerd zijn.

  1. De integratie van de verenigingen (vzw’s en stichtingen) in het WVV.

Het is vooral de nieuwe summa divisio tussen vennootschappen en verenigingen in het WVV die vanuit juridisch oogpunt een beduidende vernieuwing inhoudt. Het is bovendien opmerkelijk dat de (structuur en terminologie van de) bestaande V&S-wet bij wijlen als voorbeeld gediend heeft voor het nieuwe wetboek. In de kantlijn dient te worden vermeld dat de beroepsvereniging kan worden ingekanteld in de vzw en dat de feitelijke vereniging een aparte vermelding krijgt als vereniging zonder rechtspersoonlijkheid.

Wat verandert er nu eigenlijk echt?

Geen grote verassingen op dit vlak, de grote lijnen van de hervorming waren eerder al bekend. Interessanter is echter wat er concreet verandert. Een bescheiden bloemlezing:

  1. Voor de BV wordt komaf gemaakt met het begrip ‘kapitaal’. Waar de oprichters vroeger een minimumkapitaal van 18.550 euro moesten voorzien, zijn zij in de toekomst – uiteraard slechts in theorie – vrij om hun BV zonder enig kapitaal te starten. Dit bovenal om reden dat de vroegere kapitaalvereiste zijn voornaamste bestaansreden – de bescherming van de schuldeisers van de vennootschap – te weinig kon waarmaken.

Het verdwijnen van de kapitaalfiguur voor de BV heeft een aantal gevolgen:

  • Ook de wettelijke reserve verdwijnt. Deze wordt bij bestaande bvba’s en CV’s van rechtswege omgezet naar een statutair onbeschikbare vermogensrekening.
  • De kapitaalvermindering –en verhoging verdwijnen (er is immers geen kapitaal meer). Het blijft evenwel mogelijk om de ingebrachte gelden terug te geven via een eenvoudige uitkering. Nieuw voor de BV is de zogenaamde ‘uittreding ten laste van het vermogen’. Dit is concreet de transactie die plaatsvindt wanneer een aandeelhouder beslist uit de BV te stappen. Het betreft een facultatieve transactie die slechts kan plaatsvinden indien dit statutair voorzien is en pas vanaf het derde boekjaar. De BV kan ook nog steeds overgaan tot een aandelenuitgifte als zij nieuwe inbrengen wil bekomen.
  • De alarmbelprocedure wordt hervormd (er is immers geen maatschappelijk kapitaal waartegen het netto-actief kan worden afgewogen). Onder de nieuwe variant dient het bestuur de algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen wanneer het netto-actief negatief dreigt te worden en het onzeker is of de schulden over een periode van 12 maanden zullen kunnen worden voldaan naarmate opeisbaar (zie verder: de balans- en liquiditeitstest).
  1. Nog voor de BV geldt dat – naar het voorbeeld van de NV – de mogelijkheden qua type effecten worden opengetrokken. Vanaf nu zal het o.a. mogelijk zijn om binnen de BV gedematerialiseerde aandelen, aandelen zonder stemrecht, aandelen met meervoudig stemrecht, preferente aandelen en converteerbare obligaties uit te geven. Verder zijn er ook eindeloze mogelijkheden op het vlak van overdrachtsbeperkingen. Op die manier kan de BV gevormd worden tot een zeer besloten vennootschap, maar even goed tot een open, beursgenoteerde vennootschap.
  2. Eenhoofdigheid wordt het principe in de BV en de NV. Het doet er bovendien niet toe of de oprichter een natuurlijke of een rechtspersoon is. Voor de maatschap – en in het verlengde daarvan de VOF en de CommV – zijn nog steeds minimum 2 oprichters/vennoten vereist. Voor de CV blijft het minimum van 3 oprichters/vennoten behouden.
  3. In het WVV wordt een apart Boek opgenomen met daarin de regels inzake de jaarrekening. Hoewel dit vanuit het oogpunt van coherentie en klaarheid opnieuw een stap vooruit is, werd aan deze materie inhoudelijk niks gewijzigd.
  4. Het WVV bepaalt veel duidelijker dat de mogelijkheid bestaat om een vennootschap met rechtspersoonlijkheid om te vormen naar een vzw én vice versa. Dit uiteraard steeds rekening houdend met de nodige voorwaarden. Zo kan een vennootschap enkel worden omgezet naar een vzw mits unanimiteit van de vennoten. De vzw kan slechts worden omgevormd tot een coöperatieve vennootschap met sociaal oogmerk die bovendien erkend dient te worden.
  5. Het al dan niet nastreven van winstuitkering, en niet de aard van de activiteiten, is voortaan het enige criterium van onderscheid tussen vennootschappen en verenigingen. Hieruit volgt dat een vzw perfect (tonnen) winst mag maken, zolang ze deze winst niet uitkeert aan haar oprichters, leden, stichters, bestuurders of aan enige andere persoon. Ook de verankering van dit principe mag toegejuicht worden, want over de precieze mate waarin een vzw winst mocht maken, bestond vroeger uiteenlopende rechtspraak en dus ook discussie.
  6. De statutaire zetelleer wordt – naar het voorbeeld van heel wat buurlanden – definitief ingebeiteld in het Belgische vennootschapsrecht. Daarmee komt een einde aan de toepassing van de werkelijke zetelleer. Opnieuw een goede zaak, aangezien er talloze debatten gevoerd werden over de precieze ligging van de “voornaamste vestiging” van de vennootschap. Let wel: de toepassing van de statutaire zetelleer beperkt zich tot het vennootschapsrecht en heeft met andere woorden geen consequenties voor o.a. het fiscaal, insolventie- en milieurecht.
  7. Er wordt een procedure voorzien voor de grensoverschrijdende omzetting van een vennootschap. Zo kan een Belgische vennootschap – mits het respecteren van een welbepaalde procedure – haar maatschappelijke zetel verplaatsen naar een ander land en zo het recht van dat land aannemen. Deze procedure houdt uitdrukkelijk rekening met de belangen van de schuldeisers van de vennootschap. Zo is de emigratie van de vennootschap niet mogelijk in de loop van een insolventieprocedure en zal een notaris toezicht houden op de omzetting. Een wachtperiode van twee maanden moet schuldeisers de kans geven om hun bezwaren kenbaar te maken. Tegelijkertijd kan een buitenlandse vennootschap – volgens een vereenvoudigde procedure – immigreren naar België.
  8. Bij de uitkering aan aandeelhouders worden vanaf heden twee testen toegepast: de balanstest en de liquiditeitstest. De balanstest vereist dat het netto-actief niet negatief wordt. Hierbij wordt gekeken de laatst goedgekeurde jaarrekening of naar een recentere staat van actief en passief. De liquiditeitstest gaat na of de vennootschap na de uitkering nog in staat is haar schulden te voldoen naarmate opeisbaar en dit over een periode van min. 12 maand en volgens de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen.
  9. De communicatie ten aanzien van aandeelhouders en leden wordt gemoderniseerd. De wet bepaalt dat elke rechtspersoon een website met de nodige informatie kan aanbieden (facultatief). Verder moet iedere rechtspersoon een e-mailadres opnemen in haar statuten. Indien de aandeelhouders/leden een e-mailadres opgeven, mag alle communicatie vanaf nu via mail gebeuren. Dit is een loutere bevestiging van een reeds gangbare praktijk, maar de (mogelijkheid tot) vervanging van de aangetekende brief als voornaamste communicatiemiddel is absoluut een enorme verbetering.
  10. Het concept ‘wrongful trading’ uit het WER wordt verankerd in het WVV.
    Dit betekent concreet dat het verderzetten van de activiteiten van een vennootschap wanneer er kennelijk geen redelijk vooruitzicht is op continuïteit bestuurdersaansprakelijkheid tot gevolg heeft. Nieuw is wel dat de bestuurdersaansprakelijkheid beperkt wordt in bedrag.
  11. Uiteraard gaat een nieuwe wettekst ook gepaard met een nieuwe terminologie.
    Het mag toegejuicht worden dat dezelfde begrippen op consequente wijze doorheen de verschillende Boeken van het WVV gehanteerd zullen worden. Het vroegere ‘statutaire/maatschappelijke doel’ van de vennootschap en vereniging wordt vanaf nu ‘het voorwerp’ genoemd. ‘Het oogmerk’ is voortaan ‘het doel’. En bovenal wordt het een einde gemaakt aan het verwarrende onderscheid tussen zaakvoerders en bestuurders door vanaf heden systematisch de verzamelterm ‘bestuursorgaan’ te gebruiken.

En wat met huidige vennootschappen en verenigingen?

Naast de nieuwigheden onder het WVV is natuurlijk interessant om te weten welke gevolgen de hervorming precies zal hebben op huidige vennootschappen en verenigingen. Op welke manier wil de wetgever de precieze overgang naar het nieuwe stelsel doorvoeren?

Voor bestaande rechtspersonen is er voorzien in een overgangsregeling. Het WVV zal waarschijnlijk van toepassing zijn vanaf 1 januari 2020 (maar deze datum dient nog te worden bevestigd door de ministerraad). Vennootschappen en verenigingen die dat willen, kunnen er evenwel voor opteren de regels eerder al – maar dan ook wel integraal – op hen van toepassing te laten verklaren.

Benadrukt moet worden dat bestaande vennootschappen – ondanks de reeds geldende regels van het WVV – pas tegen 2029 hun statuten in overeenstemming zullen moeten brengen met het WVV. Hierbij geldt wel dat de vennootschap of vereniging na 2020 overgaat tot een statutenwijziging onmiddellijk de gehele statuten zal moeten aanpassen. Vennootschappen waarvan de vorm wordt afgeschaft, blijven tijdens de overgangsperiode geregeld door hun oude regime, met uitzondering van een aantal bijzondere dwingende bepalingen. Indien zij niet zijn omgevormd tegen 2029, worden zij van rechtswege omgezet naar het type vennootschap dat het dichtst aanleunt bij de vroegere vorm.

O ja, voor rechtspersonen die onder de nieuwe wetgeving worden opgericht zal er geen overgangsperiode zijn. Zij dienen onmiddellijk de nieuwe regels toe te passen.

Met dank aan de optimisten

Hoewel er op de Studiedag hier en daar enkele kritische noten te horen waren – “Krijgen externe stakeholders (niet-aandeelhouders) voldoende bescherming onder de nieuwe wetgeving? -, lijkt de algemene stemming rond het nieuwe WVV uiterst optimistisch. Niet enkel aan de kant van de academici, maar ook het middenveld ontvangt de hervorming overwegend welgezind. Met recht en reden, als het mij betreft. Elke jurist zal beamen dat een leesbare en heldere wettekst wonderen doet. Verder zal het Belgische vennootschapsrecht onder de nieuwe regelgeving eindelijk aangepast zijn aan de noden van het moderne ondernemerschap. Bijgevolg zal België op internationaal niveau voor ondernemers een interessantere plek worden om zich te vestigen.

In de kantlijn van dit alles nog het volgende: nu voor de BV – dé Belgische basisvennootschap van de toekomst – de kapitaalvereiste verdwijnt, zou vanuit politiek en sectoraal oogpunt de focus zo snel mogelijk gelegd moeten worden op het creëren van bewustwording bij startende ondernemers omtrent het belang van een gedegen financieel plan. Het wordt immers belangrijker dan ooit om het (soms blinde) optimisme van starters in te tomen.

 

Geschreven door Edward Huyghe, jurist ondernemingsrecht.